dinsdag 22 mei 2018

de blauwe knoop


in tapperij ‘de blauwe knoop’
schonk men de wijn der waarheid in
zo werd althans beloofd door haar waardin
en evenzo geloofd door ’t volk,
op zoek naar hoop

’t was immer vol, en elk verglijdend uur
gaf druk in aders, hart en hoofd
en drinkend raakte men verdoofd
totdat door ’t stijgen van de temp’ratuur
de druppel zweet zijn weg zocht,
van haar hals
naar daar waar slechts de waard van zeggen kon
of ’t vlees (nog nooit geteisterd door de zon)
nog malser was dan mals

haar keursje hing half los
en elk zag er het zijne in
en zij schonk nog wat waarheid in
met een oprecht gespeelde blos

© ton de gruijter 

maandag 7 mei 2018

de nieuwe raad


’t was koud aan het eind van de dag van het kiezen
en zij, die niet konden verliezen
(door ’n toezegging hier en een steekpenning daar)
betrokken hun zetels
in ’t huis van de orde

zij hieven het glas op
en wensten elkaar
het genot van het wild
op de borden

’t papier met beloften ging op in het vuur
en verwarmde de raadszaal van muur tot aan muur

een volgende dag zou men uit het archief
documenten bewerken
met enkele woorden
zodat wat verjaard leek
als nieuw zou versterken
dat daadkracht het geldend devies bleek
in ’t huis van de orde

© ton de gruijter 

dinsdag 24 april 2018

de wonnemaand


de wonnemaand bracht hen de langere dagen,
de warmere lucht,
men zong van het leven vol bloei en vol vrucht

de maagden en knapen,
met vlees op het bot,
met kracht in de spier
en ’t verstand van het veldwerk en jacht,
zij werden nu huwbaar geacht

en buitenpoorts,
waar de cypressen de zon
aan elkaar als een dovende toorts
-tot het donkerde- gaven,
daar werden zij samengebracht

de koperen bel van de houten kapel
zong het sein voor ’t steken van vuur
en zo, in dat nachtelijk uur
ontdekten zij ’t wonder van andermans tast
zo hielden zij later de handen nog vast,
behalve de maagd in wier ogen meer diepgang
dan wenselijk lag
men wees haar het veld
het klooster ontving op een latere dag
een knaap, nog beduusd van haar oogopslag

© ton de gruijter

dinsdag 17 april 2018

'het fijn foedraal'


’t lag zelfs nog verder weg dan achteraf,
’t gezelschapshuis ‘het fijn foedraal’
tot hier klonk nooit de prekers taal
alsof het hier niet echt meer gaf

en toch vertelden verfwerk, drank, muziek …
dit oversteeg hoereerderij
hier hoorde het crapuul niet bij
want heel de taal van ’t huis sprak ‘chique’

gegoeden kwamen hier voor ’t klein vertier,
gegoeden, onbesproken van gedrag
zij eindigden hier hun lange dag,
het zaaigoed voor weldenkendheid
is immers ’t delen van plezier

de deernes deden hun bezoekers deugd
met dijwerk, van beloften strak,
de leest, gevormd door ’t lichte vak,
en bovenal,
het kanten lijf vol vreugd

zo vloeiden drank en spanning heen
in dit gezelschapshuis ‘het fijn foedraal’
want hier stond werkelijk de mens centraal
en kwamen aanbod en haar vraag bijeen

zo hemels was de zonde hier,
(de lijf’lijkheid werd haast sacraal
in dit gezelschapshuis ‘het fijn foedraal’)
en zo bewees zich reine onschuld in het klein vertier

en huiswaarts naar hun kraai en kind
werd elke man van vlees weer heer van hout,
(want welke wonde vergde zout?)
zoals het hoorde waren zienden blind

© ton de gruijter 

dinsdag 3 april 2018

nobelmans steen


hij was van groot betekenis,
men sprak hem aan met ‘nobelman’
hij vreesde niets dan slechts het stervensplan,
dat hij vervliegen zou in de geschiedenis

‘vereeuwig mij!’ sprak hij in nood,
maar noch de preker, noch de chirurgijn
kon hem afdoend behulpzaam zijn
men kende slechts successen van de dood

maar één, een kunstenaar die stenen sneed
zei hem van dienst te kunnen zijn
‘uw naam en faam zijn veel te fijn
om op te gaan in ’t werk van sleet’

er schijnt nog met ’t idee te zijn gespeeld
de nobelman te eren met een beeld
voortijdig echter sloot zijn oog
en zweeg zijn stem

de stenenman vereeuwigd’ hem

met guts en vijl en beitelwerk,
geen enkel’ steen was hem te sterk

en zo stond in de sluitsteen
van het zwaarst graniet
‘ook nobelmannen sterven ooit
zelfs naam en faam behoeden niet voor dit verdriet
hun leven wordt het best voltooid
door hen te houwen in de steen

maar ach, ook hier zijn zij
(hoe samen ook) alleen’

© ton de gruijter 

dinsdag 27 maart 2018

liefde en lucht


bij ’t wieden van ’t veld en bij ’t weiden van ’t vee
was iedereen nuttig, zo was ’t niet zo zwaar
was iedereen nuttig, behoudens de twee
die aandacht slechts kenden voor niets dan elkaar

de voorman kon sakk’ren en zei met een zucht;
‘die twee zijn onnozel, ’t is ledigheid troef
zij menen te leven van liefde en lucht,
van luiheid eet niemand. ’t is werkelijk droef’

maar zij zag de schoonheid in zijn fris gelaat
en hij won haar lippen, als kersen zo rood
en beiden begrepen; ‘als zoiets bestaat
dan minnen w’ elkaar tot een liefd’volle dood’

’t geschiedde zoals was voorvoeld

zij minden en kwijnden,
hun zielen aaneen
zij nuttigden liefde en lucht
zo lang als het ging,
zo lang tot hun adem verdween

hij had nog iets schoons in zijn ooit fris gelaat
haar lippen nu waren als aardbeien rood
(als ’t leven het lichaam verlaat,
verzwindt ook de fleur,
als een prooi van de dood)

bij ’t graven van ’t graf
was iedereen nuttig, zo was ’t niet zo zwaar
(in tijden van droefenis hielp men elkaar)

zie!

na ’t gooien van aarde, het sombere werk
brak eensklaps de zon door het laaghangend zwerk
een koppeltje duiven bleef hangen in ’t licht
of ’t uitspansel aangaf, een hemels bericht;
‘blijf noest en blijf nijver, maar wees niet beducht
voor ’t wonder van liefde en lucht’

© ton de gruijter 

zaterdag 17 maart 2018

een stem voor de raad


het eind kwam in zicht van de raadsperiode,
onwennig vertoonden de leden
zich buiten op straat
zij streefden naar macht in de komende raad
en zochten de gunsten van mensen en goden

voor ’t oog van de burgers betraden zij kerken
en lachten naar moeders en kusten een kind,
trotseerden zij regen en wind
en veinsden bezieling voor nuttige werken
zo verfden zij deuren,
zij snoeiden een plant
en reikten (wanneer ’t volk maar keek)
een armlastige d’ hand

zo toonden zij wat zij niet waren
maar leken zij ‘t wel,
zo kreeg elk een gehoor,
zo gaven zij elk hun beloftes weer door
en wierven zij steun voor de volgende jaren

en daags na hun kunsten vertrokken zij weer,
naar het huis van de orde

de stem van het volk zou door ‘jee’ of een ‘nee’
(geroepen op ’t plein en geteld door de klerk)
bepalen wiens dag op de straat
het beste beviel en wie wel of niet mee
mocht besturen
en raadslid zou blijven of worden

© ton de gruijter