woensdag 28 juni 2017

klankenvanger


als dertiende werd hij geboren,
direct na het volle dozijn
en nooit zou hij echt bij de anderen horen,
zijn beendergestel was te fijn
te fijn voor het werk op de akker of ’t veld
(dat werd hem vol deernis verteld)
te fijn voor de ploeg, voor de zeis, voor de hak
te zwak ook voor steenhouwerij
of het werk op het dak

maar hij ving de klanken

de lach in de kreun of de kreun in de lach,
het fluisteren van de verdwijnende dag
de zucht van het zonlicht, de waai in de wind
de toon van de vogel, de jank van het kind,
hoe blijdschap of droefheid verschil maken kon,
de ritsel van regen, de vlieg aan ’t plafond

zijn buit,
het geluid,
hij vertrouwde het toe aan papier
met afstand en vlaggen vol zwier
met krullen en strepen,
door niemand begrepen

en hij werd de rijkste van allen
hoewel hij geen geld en geen veld had of stallen vol vee
bezat hij ’t vermogen
verwonderd te raken
door klanken van land, lucht en zee

© ton de gruijter 

maandag 5 juni 2017

de regelaar


haast alle woorden (meer dan honderd) die zij kenden
klonken daags na ’t werk
een aantal slechts had nut voor kroeg en kerk,
maar veel bleef hangen,
drift, verlangen, afgunst,
’t gaf rumoer

de houders van de wet namen het besluit
zij nodigden de reizend regelaar in ’t voorjaar uit
want men vernam dat hij al eerder zulks bezwoer

het was een goede dag,
men kon de woorden laten horen in de hooggezuilde hal

de regelaar, gekleed in zwart
zei hen slechts ‘spreek van ’t hoofd en hart’
en verder zweeg hij streng
van alle woorden (meer dan honderd) die zij kenden
woog hij het gewicht
hij knikte zacht en zei ‘ik zeg u wie u bent,
ik schrijf u neer op perkament in onbetwistbaar schrift
en na de stempel in nog warme lak
is wat u heeft aan recht in het archief gegrift’

en rust bezocht de stad

men sprak hier nog een woord of tien
want als rumoer nog klinken zou
liet men elkaar de schrijfsels zien
en dankte men de regelaar

© ton de gruijter 

maandag 8 mei 2017

'de wijdere blik'


de kade, de haven, de pier,
’t was allemaal winst op de zee
maar nog was het volk niet tevree
dus voer men steeds verder van hier

het vaartuig ‘de wijdere blik’ was gereed en voer uit
met de tranen van vrouwen en kind als haar doopnat
en zocht naar een gunstige wind

en maanden van niets kropen om

men hoorde pas laat op een dag
‘ ik zie zeil en de vlag!’
‘de wijdere blik’ was weer huiswaarts gericht,
een vrolijke drom zocht naar brandstof voor licht

’t getaande gelaat van de varensgezel werd gekust en gekust
en maanden nog sprak men in ’t uur van de nacht
over golfslag en winden vol kracht,
en waar het ‘de wijdere blik’ had gebracht
wat werd er gelachen bij ’t vreemde verhaal
van de volken die spraken in ’n andere taal,
met andere kleur van de huid
en voedsel, te sterk door het kruid
en vrouwen, zo zei men, met verf in het vel
en oorbellen, groot als de koperen bel van de houten kapel
en mannen, gespierd, maar versierd met een halssnoer of ring
en gekleed zo als hier nooit een enkeling ging

ze spraken van krakende spanten, gezang in het want
en lading, die door het gewoel van het water verschoof naar de kant

het maakte de dorpeling gulzig naar meer
‘de wijdere blik’ zou de einder weer zien
het wachten was slechts op het woord van hun heer

© ton de gruijter

dinsdag 2 mei 2017

de schuchtere minstreel


het klonk uit de toren, ’t geopende raam,
de zang van de minstreel, de klank van de luit
’t was waarlijk een lieflijk, betov’rend geluid
ballades zong hij, van een vrouw zonder naam

’t verlangen gaf reikwijdte aan zijn gezang
en twee torens verder kon zij hem verstaan
en niets hield haar tegen, naar hem zou zij gaan
niet eerder ervoer zij een zo vreemde drang

‘wilt u mij niet minnen en strelen?’ vroeg zij
‘ik zal dan de trillingen zijn voor uw snaar,
de zalf voor uw stemband,
de noot op uw blad
’t geluid in uw mond
en de greep voor uw hand.
bespeel mij zoals u nog nooit heeft gespeeld’

zo had zij haar passie gedeeld


hij zweeg eerst en zweeg tot hij sprak

bescheiden zei hij ‘ik speel altijd alleen
als ik u aanschouw verlies ik mijn stem’

‘laat mij dan ’t geluid zijn’ verlokte zij hem
zij kuste zijn wang en zijn weerstand verdween

nu trilt zij zijn snaar, zij ’s de greep voor zijn hand
en mooier gezang dan van haar klonk er nooit
wanneer hij de toonladder met haar voltooit,
de klankkast laat gloeien, zo warm als van brand

© ton de gruijter 

maandag 3 april 2017

'volg het vocht'


het meisje, dat namens de drommel het zielenheil kocht,
was nieuw op de markt met haar kraam
ze vroeg aan de mannen een blik en hun naam
en zei hen
‘gaat heen nu en volg dan het vocht’

de mannen, verward, vroegen
‘waar op de tweesprong gaan wij?’
zij zei hen ‘ ’t is ijzer om lood,
want linksom of rechtsom, daar wacht u de dood
wat geeft dan uw keuze, het geldt allebei’

zo werden zij licht in het hoofd
hun tocht, langs de roemers met bocht,
het nat van de meisjes die werden bezocht,
het bracht hen ten leste
wat hen was beloofd

© ton de gruijter 

donderdag 23 maart 2017

brief


in al zijn leegte, al zijn maagd’lijkheid,
begrijpt hij wat zij aanstonds doet,
dus ziet hij ’n kaarsvlam in haar lamplicht,
een wijnglas in haar kop met thee
zijn linkerbovenhoek krult om
en verder wacht hij, wacht gedwee

en zij, de blik omfloerst, de tongpunt nat,
versiert het blad met wat zij wilde zeggen
voor zover zij ’t niet vergat

hij drinkt haar inkt, zijn vezels vol
haar schrijfhand tolt de zinnen door
maar desondanks verhult zij zich
en stopt, wellicht daardoor te vlug

hij laat haar vingers langs zijn rug

twee maal een half is hij
zij kust zo fijn zijn buitenzij

hij weet wat hij behoeden moet,
door regels zacht omarmd
hij hoopt dat wie hem straks ontvouwt
door wat zij zeggen wilde
wordt verwarmd

© ton de gruijter 

donderdag 9 maart 2017

wat u bent


’t is niet dat u uw mond of wangen, zelfs uw nagels kleurt
’t is niet dat u naar bloemen geurt
of kruiden, waar ‘k geen naam van weet
’t is evenmin dat u zich luchtig kleedt,
zo vloeiend, los, met aan de rand
een lint of bies, wat kant,
ook niet uw langer haar, uw huid
of, dankzij ’t schoeisel ’t bollen van de kuit

’t is ook niet dat uw lichaam anders oogt
met al wat ik niet heb en andersom
het is niet eens van dat de optelsom

ik leg er niet de vinger op, al heb ik dat zo vaak gepoogd

’t is dat waar men geen woord voor kent,
dat is precies zoals u bent

© ton de gruijter