vrijdag 2 september 2016

zes man sterk


o martelgang, o martelgang,
het duurde heel het leven lang
van eerste kreet, dat vals gejank
tot godvergeten laatste plank,
tot aan het eind, het ‘land in zicht’

er bleef niets meer dan dood gewicht
(nog goed te doen voor zes man sterk),
en beitelwerk in ‘n grauwe zerk

© ton de gruijter 

zondag 21 augustus 2016

het helen dat ik vrees


’t is niet zozeer da ’k lijden moet
als wel het helen dat ik vrees,
het gif dat men mij binnengiet
en ’t zinloos snijden in het vlees

het is het zuigen van het bloed
en dat men aan mijn lichaam voelt,
de slangen die men door mij steekt;
’t is ongetwijfeld goed bedoeld

ach, eng’len in het wit; geef toe,
uiteind’lijk wint de klok de race.
’t is niet zozeer da ‘k lijden moet
als wel het helen dat ik vrees

© ton de gruijter

donderdag 4 augustus 2016

tussen twee en drie


dit is voor tussen twee en drie
zo ongeveer,
wanneer je weer een keer
de droeve gang beloopt
en tegenstrijdigheden hoopt

begroet haar zacht,
maar vraag niet hoe het gaat
bespaar haar het om bestwil ‘’t gaat wel goed’
(zo is ze opgevoed, ‘wees niet tot last’)

pak liever de vermoeide handen vast,
ze steekt ze immers naar je uit
en geef wat warmte aan de huid
en deel een traan
maar spreek niet, zwijg,
de stilte zegt genoeg

zo tussen twee en drie
is ’t altijd nog te vroeg

© ton de gruijter 

maandag 4 juli 2016

fraaier heuvels


waar zag ik fraaier heuvels ooit
dan in het landschap dat u torst
eens daar verwijlen deed ik nooit
omdat ik zulks niet opp’ren dorst

mij daar vermeien voor een poos,
tot nu heb ik mij niet verstout
wellicht te blo, dat ik dan bloos
daar u mij voor een dolhoofd houdt

ik veins aan dat voorbij te gaan
wat u zo gul en glooiend tooit,
maar ’t doet mij stijf ter plekke staan;
waar zag ik fraaier heuvels ooit!

© ton de gruijter 

woensdag 29 juni 2016

de uitweg


de tas, de jas, de toegangspas,
ze zijn vanaf vandaag niet meer van nut
het grijze hoofd (onwennig) wordt gestut,
gevangen in een zijden das

men vindt toch nog een compliment,
een woord, een lach, dan koffie met wat taart
(nog nooit stond men zo om hem heen geschaard,
haast als cipiers van ’t vreemd moment)

ze veinzen afgunst om ’t pensioen
hij voelt het wel, maar speelt gewillig mee
en zegt geen spijt te voelen ‘ach welnee,
er is nog vast veel leuks te doen’

al snel zijn allen uitgepraat,
dan volgt het handen schudden, slap en kort
hij zoekt zijn uitweg op het richtingbord
waar niets meer op te lezen staat

© ton de gruijter 

zondag 5 juni 2016

orde


’t is goed bedoelde onschuld, ’t bellen van de tram
wanneer hij na het lossen van de beige groep
zijn spoor weer zoekt
zij weten beter, steken naar de stoep en wachten,
tot zij één voor één zijn ingeboekt

het is een dag als gister was,
’t geluid van buiten, al wat afleidt, veilig achter steen en glas

hier klinken alle stemmen zacht, de glimlach dooft
papieren glijden over ’t sleetse blad van de bureaus,
ervaren handen paraferen blauw en zwart
(een enkel vel legt men apart)
en af en toe verstoort een stempel hier de rust,
alsof hij ’t kussen te wellustig kust

hier is de orde van de dag,
met brood om twaalf en thee om drie
de middagzon verflauwt, aan morgen denkt zij al.

zij worden uitgeboekt,
bereiden zich op ’t bellen van de tram
die straks hun halte zoekt,
en weten, tussen hen die zonder zorgen zijn
(een jongen geeft zijn lief een zoen);
‘er is nog veel te doen’

© ton de gruijter 

vrijdag 20 mei 2016

broos (slot)


sinds kort verblijft zij in haar allerlaatste huis
(’t is niet meer dan een kamer met een bed)
er staan wat fotootjes van thuis

er valt niet veel meer op te schrijven
behalve het ‘doe dan maar niets’
dat helpt aan ’t eind misschien nog iets

zo werd ze dan; doorzichtig, broos
en iedereen is machteloos
want zo wordt alles vederlicht
en iedereen voelt dat gewicht

er lijkt maar één geluid te blijven,
de klok die onverstoorbaar tikt
‘het is nu eenmaal voorbeschikt’

ze spreekt nog één keer, fluisterzacht
‘ik moet nu gaan’
’t is eindelijk voor altijd nacht

© ton de gruijter
(een herschreven tekst van 17 en 28-05-2008)