vrijdag 11 augustus 2017

het slinken van de dag


de oude, die het eerder zag,
zag nu het zoeken van het kind
en zei: ‘steeds dunner wordt de wind,
hij brengt het slinken van de dag
en d’ eerste zwerm, die draait en draait,
bereidt zich voor op het vertrek
en schaduwt dan het wolkendek
dat steeds meer uit het noorden waait

en straks zijn alle vlinders dood,
de zaden weg, de bloemen dood
dan gaat de poort weer vroeg op slot
en daarna ben je bijna groot

maar eerst moet nog de glans van ’t blad,
de warmte moet nog uit de huid
zij zeilt straks zachtjes weg naar zuid
terwijl het kaal wordt in de stad’

de oude, die het eerder zag,
zei: ’daarna ben je bijna groot

maar eerst gaan nog de vlinders dood,
dat hoort bij ’t slinken van de dag

© ton de gruijter 

dinsdag 1 augustus 2017

waarheids woonst


het was tegenover het huis van de vorsers,
die lengte en zwaarte en duur
probeerden te vangen met apparatuur,
want daar tegenover bespraken d’ artiest en de preker
de schoonheid van gissen, onwetendheids kracht
de roes van het zoeken, verbeelding en pracht

de preker zou spreken, op iedere zevende dag
d’ artiest zou onthullen hoe hij alles zag

en zo werd een toren gesticht

met glazen in lood voor het dempen van licht
en stenen, gedrild in hun voeg
en houtwerk en fresco’s, geweven tapijt
de voortgang der vorsers ten spijt
zij werkten en rustten met wijn in de kroeg
en wisten, hoewel door de vorsers gehoond,
dat waarheid het diepst de illusie bewoont

© ton de gruijter 

dinsdag 18 juli 2017

een muzikant


maar wie zag ’s avonds nog het vuil,
in vegen op ’t gezicht?
wie rook er nog het zweet?
vergeten waren moeheid, twijfels, pijn en leed
want ’s avonds voelde alles licht

een plankenvloer, een lattenbank
en ’t schoon publiek,
de wangen, borsten, handen blank,
de pullen vol van gerstenat
zo was ’t hier even licht plezier

de muzikant zong zacht, zo zacht
van méér dan kussen in de nacht,
het vloeide hier van tranen, nat,
en ’t dreef de barsheid uit de stad

zo kon men lachen om verdriet
en huilen om de vrolijkheid

het was precies zoals het was

de muzikant zong dieper dan het diepste glas
en steeds meer volk zei na een tijd
‘zo hoorde ik het eerder niet’

© ton de gruijter 

woensdag 28 juni 2017

klankenvanger


als dertiende werd hij geboren,
direct na het volle dozijn
en nooit zou hij echt bij de anderen horen,
zijn beendergestel was te fijn
te fijn voor het werk op de akker of ’t veld
(dat werd hem vol deernis verteld)
te fijn voor de ploeg, voor de zeis, voor de hak
te zwak ook voor steenhouwerij
of het werk op het dak

maar hij ving de klanken

de lach in de kreun of de kreun in de lach,
het fluisteren van de verdwijnende dag
de zucht van het zonlicht, de waai in de wind
de toon van de vogel, de jank van het kind,
hoe blijdschap of droefheid verschil maken kon,
de ritsel van regen, de vlieg aan ’t plafond

zijn buit,
het geluid,
hij vertrouwde het toe aan papier
met afstand en vlaggen vol zwier
met krullen en strepen,
door niemand begrepen

en hij werd de rijkste van allen
hoewel hij geen geld en geen veld had of stallen vol vee
bezat hij ’t vermogen
verwonderd te raken
door klanken van land, lucht en zee

© ton de gruijter 

maandag 5 juni 2017

de regelaar


haast alle woorden (meer dan honderd) die zij kenden
klonken daags na ’t werk
een aantal slechts had nut voor kroeg en kerk,
maar veel bleef hangen,
drift, verlangen, afgunst,
’t gaf rumoer

de houders van de wet namen het besluit
zij nodigden de reizend regelaar in ’t voorjaar uit
want men vernam dat hij al eerder zulks bezwoer

het was een goede dag,
men kon de woorden laten horen in de hooggezuilde hal

de regelaar, gekleed in zwart
zei hen slechts ‘spreek van ’t hoofd en hart’
en verder zweeg hij streng
van alle woorden (meer dan honderd) die zij kenden
woog hij het gewicht
hij knikte zacht en zei ‘ik zeg u wie u bent,
ik schrijf u neer op perkament in onbetwistbaar schrift
en na de stempel in nog warme lak
is wat u heeft aan recht in het archief gegrift’

en rust bezocht de stad

men sprak hier nog een woord of tien
want als rumoer nog klinken zou
liet men elkaar de schrijfsels zien
en dankte men de regelaar

© ton de gruijter 

maandag 8 mei 2017

'de wijdere blik'


de kade, de haven, de pier,
’t was allemaal winst op de zee
maar nog was het volk niet tevree
dus voer men steeds verder van hier

het vaartuig ‘de wijdere blik’ was gereed en voer uit
met de tranen van vrouwen en kind als haar doopnat
en zocht naar een gunstige wind

en maanden van niets kropen om

men hoorde pas laat op een dag
‘ ik zie zeil en de vlag!’
‘de wijdere blik’ was weer huiswaarts gericht,
een vrolijke drom zocht naar brandstof voor licht

’t getaande gelaat van de varensgezel werd gekust en gekust
en maanden nog sprak men in ’t uur van de nacht
over golfslag en winden vol kracht,
en waar het ‘de wijdere blik’ had gebracht
wat werd er gelachen bij ’t vreemde verhaal
van de volken die spraken in ’n andere taal,
met andere kleur van de huid
en voedsel, te sterk door het kruid
en vrouwen, zo zei men, met verf in het vel
en oorbellen, groot als de koperen bel van de houten kapel
en mannen, gespierd, maar versierd met een halssnoer of ring
en gekleed zo als hier nooit een enkeling ging

ze spraken van krakende spanten, gezang in het want
en lading, die door het gewoel van het water verschoof naar de kant

het maakte de dorpeling gulzig naar meer
‘de wijdere blik’ zou de einder weer zien
het wachten was slechts op het woord van hun heer

© ton de gruijter

dinsdag 2 mei 2017

de schuchtere minstreel


het klonk uit de toren, ’t geopende raam,
de zang van de minstreel, de klank van de luit
’t was waarlijk een lieflijk, betov’rend geluid
ballades zong hij, van een vrouw zonder naam

’t verlangen gaf reikwijdte aan zijn gezang
en twee torens verder kon zij hem verstaan
en niets hield haar tegen, naar hem zou zij gaan
niet eerder ervoer zij een zo vreemde drang

‘wilt u mij niet minnen en strelen?’ vroeg zij
‘ik zal dan de trillingen zijn voor uw snaar,
de zalf voor uw stemband,
de noot op uw blad
’t geluid in uw mond
en de greep voor uw hand.
bespeel mij zoals u nog nooit heeft gespeeld’

zo had zij haar passie gedeeld


hij zweeg eerst en zweeg tot hij sprak

bescheiden zei hij ‘ik speel altijd alleen
als ik u aanschouw verlies ik mijn stem’

‘laat mij dan ’t geluid zijn’ verlokte zij hem
zij kuste zijn wang en zijn weerstand verdween

nu trilt zij zijn snaar, zij ’s de greep voor zijn hand
en mooier gezang dan van haar klonk er nooit
wanneer hij de toonladder met haar voltooit,
de klankkast laat gloeien, zo warm als van brand

© ton de gruijter