vrijdag 8 december 2017

gronden van klei


gewoontegetrouw was de raad lang bijeen
(als jaarlijks in donkere dagen)
zij zochten het antwoord op tientallen vragen,
slechts één kon de mooiste van allen zijn, één

en toen zij gekozen werd, werd zij gebaad
gezalfd, en ’t gezicht werd getint in pastelzachte kleuren,
bebet werd haar kapsel met bloemfrisse geuren
behangen werd zij met het fijnste gewaad

zo werden de raadsheren één maand bediend,
opdat zij met stelligheid konden verklaren
dat net als in vorige jaren
de mooiste haar lot had verdiend

            want schoonheid was wuftig, onwereldlijk, plat
            het leidde het manvolk van ’t arbeiden af
en zó was de schoonheid geen zegen maar straf
want zó kreeg de hellevorst grip op de stad
           
            het rein en de eerbaarheid diende geborgd,
            de preker verhaalde van hemel en hel,
            waar schoonheid geen nut had, waar wel
            en zij werd in ’t bijzijn van allen geworgd

en nu was de stad weer verlost en weer vrij
naar huis ging men heen voor een glas en vroeg slapen
om ’s morgens in vroegte weer krachten te rapen
voor ’t werk op de gronden van klei

© ton de gruijter 

woensdag 29 november 2017

heilwater


na zes jaar van zaaien en oogsten en vlijt
vergunden zij zich nu wat tijd voor de ziel
er was immers ruimte voor rust en respijt
omdat er niet veel te veranderen viel

en vier jongemannen, met longen vol lucht
(‘de heilzoekers’ noemde men hen vol ontzag)
verlieten de stad in het spoor van ’t gerucht
dat zin zich ontvouwt op een wondere dag

en één ging te voet naar het westelijk plat,
een ander vertrok naar het oostelijk woud
een derde naar noord, naar het drasland en wad,
de laatste naar zuid, naar de zeeën vol zout

de laatste kwam eerst en hij sprak van de kust
waar ’t water begon en het einde weer vond,
van smaak van het zout en van winden vol rust
‘een heling voor zielen, door zonden gewond’

men noemde hem ‘eerste’, nam wagen en paard
en elk droeg een emmer, een aker of ton
zijn woord werd -in schoonschrift geschreven- bewaard
zij vulden ootmoedig hun heilwaterbron

© ton de gruijter 

maandag 20 november 2017

'de lichtekooi'


in ’t logement ‘de lichtekooi’
vermaakten zich oorspronkelijk passanten
steeds vaker echter kwamen vaste klanten,
’t was manvolk van divers allooi

men sprak alras besmuikt
van los gerinkelrooi
en doelde op de nieuwe deerne
die drank uitschonk in deez’ taveerne,
want zij was onbeschrijf’lijk mooi
ja, zij was onbeschaamd frivool

zij zou ’n gevallen engel kunnen zijn
zoals zij danste met de kroezen wijn
in wijde rok en kanten kamizool

men schreef haar steeds meer streken toe

zo zou zij voor wat zilverlingen
bereid zijn om de duizend dingen
die zij wel kennen moest
van hemel, vagevuur en hel
(zoals het koortsend bloed en stomend vel)
te delen bij een ritsig rendez-vous

en zo moet het ontsprongen zijn

de porseleinen dames, samen met de houten heren
(de hoeders van venijn),
beschonken haar vooraf met pek,
daarna wat veren

het logement ‘de lichtekooi’
verloor de vaste klanten
en zelfs bij de passanten
viel het gestaag aan achterklap ten prooi

© ton de gruijter 

december? doe eens een boek!

december komt er aan, schoenen en kerstbomen wachten op pakjes.

doe eens een boek, bijvoorbeeld:

voor de prijs hoeft u het niet te laten.
eenvoudig verkrijgbaar via uw boekhandel, via bol.com of rechtstreeks bij de uitgever ( klik hier voor de link ).

u kunt vanzelfsprekend ook met mij contact opnemen.

prettige december gewenst!

woensdag 1 november 2017

het gericht


er dromde die avond meer volk op het plein
men had kort geleden gehoord
dat iemand de orde, de wet had verstoord
en ’t vuur vond de vlam in bruin bier, rode wijn,
geen pul echter leste de dorst naar het bloed
van ’t vuige gebroed
zo vulde ’t gemoed zich met gif en venijn

en zo kwam de nacht
een eenzame ziel werd naar ’t schandblok gebracht
want dat was degeen die de rust had verstoord
de één na de ander had dat van een ander gehoord

en zo kwam de dag
en geen van hen wist hoe ’t zo kwam
en toen men een andere toedracht vernam
verdween hier op alle gezichten de kunst van de lach

© ton de gruijter 

zondag 22 oktober 2017

thanatica


al maanden was de hemel zwaar,
er vloog geen vogel in de lucht
geen wolk bewoog, geen wind, geen zucht,
alleen de murmelingen van gevaar,
een lied van angst, ‘thanatica’

een bode op een dampend paard
verhaalde van een vreemde stad
waar men verderf en dood aanbad,
wier heerser heerste met de kling van ’t zwaard,
de vreemde stad thanatica

steeds groter werd het droef gebied
waar vlammen vraten aan het aardse goed
waar vlaggen dansten, rood als bloed
en niemand dacht ‘dat komt hier niet’
de adem van thanatica

zij zonden hun militie, broer en zoon
voor ’t ongewenst maar nodig werk
en voller was nog nooit hun kerk
want krijg was geen traditie, ongewoon
zo anders dan thanatica

na weken pas bewoog de wind
en kozen wolken weer hun pad
de burgers klommen op de muren van de stad
voor ’t eerste glimpen van hun kind
dat t’rug reed uit thanatica

en dan, de goede dag,
daar reden zij op ’t dampend paard
met butsen in hun helm en zwaard
en de gescheurde vlag
van d’ wrede stad thanatica

een moeder sprak
‘zijn vel is gaaf,
geen vijand die hem schond’
een vader zweeg
want hij zag onderhuids
de diepe wond,
gesneden door thanatica

© ton de gruijter 

donderdag 28 september 2017

halverwege


soms lijkt het of de muren spreken,
soms lijkt het of een nieuwe stad
-waar and’re plaatsen zwegen-
de stilte wil verbreken
en haast meewarig fluistert
‘het maakt niet uit hoe ver u reist,
want u bent altijd halverwege’

en zij, zij weet het
zij voelt na alle wegen die zij heeft betreden
het groeien van ’t gewicht van haar verleden
’t gezicht van hen die zij nog graag weer kussen zou
de klank, de kleur, de geur van het land
waarvan de naam er niet toe doet, u mag het noemen, het is haar land
en altijd reist het mee, geen berg, geen zee ontwortelt haar
zij weet het, zij ’s altijd onderweg en nog maar halverwege

een dag opent zij een deur
dan mag haar naam er naast geschreven
en dan zegt zij ‘vanuit dit huis kan ik weer leven’
dan zingt een straat, dan lacht een muur
maar hier danst ook het zoet met zuur
dan is zij eind’lijk thuis en toch pas halverwege

© ton de gruijter